donderdag 15 augustus 2013

Overheid, gedragsverandering, wetten en regels

Metro, 3 juni 2009
Overheid, gedragsverandering, wetten en regels


Kan de overheid het gedrag van burgers in positieve zin beïnvloeden? Deze vraag houdt sociologen, psychologen en juristen beroepsmatig bezig.

Door Klaas Boomsma

Door middel van het opstellen van regels en wetten reguleert de overheid al voor een deel het menselijk gedrag, maar het is natuurlijk onmogelijk om miljoenen mensen overal en altijd met boetes of andere straffen in het gareel te houden. Een andere vorm van pogingen tot gedragsverandering zijn bijvoorbeeld subsidies voor schonere auto's, zonnepanelen of het mijden van bepaalde stukken snelweg.

Auteur Steven de Jong stelt in zijn boek 'De Lastige Burger' dat de overheid zelf lastige burgers heeft gecreëerd door haar 'ziel te verkopen aan de markt'. Daarmee is de burger tot klant gemaakt. In plaats van snelheidsovertreder is die burger een klant van het Justitieel Incassobureau.

De Jong concludeert dat de overheid die lastige klant op zijn gedrag moet durven aanspreken. Zonder het gedrag van burgers te betrekken, zou de overheid de dienstverlening ook niet kunnen verbeteren. Zo gezien zou de regering burgers niet naar hun voorkeur moeten vragen, maar ze gewoon moeten aanspreken op hun gedrag.

Bron: Dagblad Metro, 3 juni 2009

Lastige burger is gruwel voor elke ambtenaar

De Gooi- en Eemlander, 20 mei 2009
Lastige burger is gruwel voor elke ambtenaar


Klagen over ambtenaren is een nationale volkssport. Maar andersom is het huftergedrag onder burgers ook sterk toegenomen. ’De lastige burger’, met als ondertitel ’dienstverlening in een tijd van ontbrekend burgerschap’ is een recent verschenen boek waarin nu eens een keertje ambtenaren hun gal mogen spugen over die o-zo-mondige Nederlander.

Door Casper van den Broek

Kern van het boek van journalist Steven de Jong is dat de keuze van de overheid voor het klantdenken vele slachtoffers kent. "Want wie klantvriendelijkheid zaait, zal klanten oogsten", is de stelling van de schrijver. En dus ziet de burger de ambtenaar niet langer als een dienaar van het algemeen belang, maar als een persoonlijke probleemoplosser.

Diezelfde burger gedraagt zich dan ook op bijvoorbeeld een inspraakbijeenkomst vaak "als een klant die bij de Mediamarkt een plasmascherm komt uitzoeken." En wee het gebeente van de ambtenaar die een keertje ’nee’ tegen hem of haar durft te zeggen. Die krijgt de wind van voren. Een beleidsambtenaar, loketambtenaar en burgemeester uit deze regio geven hun mening over deze ’lastige burger’ en vertellen hoe we weer eens wat vriendelijker met de overheid kunnen omgaan. Voor wie meer over dit onderwerp wil weten is er de website www.lastvandeburger.nl.

Bron: De Gooi- en Eemlander, 20 mei 2009

De zeurderige klanten van de overheid

Managementboek.nl, 1 maart 2009
De zeurderige klanten van de overheid


Tilburg heeft zijn dienstverlening verbeterd door instrumenten van het bedrijfsleven toe te passen. In Amsterdam kan de burger steeds meer transacties online verrichten. Den Haag wil de klantvriendelijkste gemeente van Nederland worden en Almere heeft een 'digital assistent' voor de bezoekers van zijn website.

Door Ton Horrevorts
De Nederlandse overheid heeft de burger als klant ontdekt. Helemaal fout, aldus de stelling van journalist Steven de Jong, want zo creëert de overheid ontevreden en zeurderige klanten. In zijn boek 'De lastige burger' doet hij verslag van zijn onderzoek naar de resultaten van het klantdenken van de overheid.

Elke overheid probeert haar dienstverlening aan de burger te verbeteren. De minister van BZK vindt het bij goed bestuur horen dat de medewerkers van overheidsorganisaties klantgericht, servicegericht, correct en ontvankelijk zijn. Ook hoort daarbij dat alle overheidsorganisaties kwaliteitshandvesten vaststellen waarin de normen voor de dienstverlening worden vastgelegd. Bij deze nieuwe vormen van dienstverlening ziet de overheid de burger als klant.

NRC-redacteur Steven de Jong vindt deze benadering om een aantal redenen onjuist. De belangrijkste reden is dat een klant een keuzemogelijkheid heeft. Hij gaat naar een andere leverancier als hij niet tevreden is over de dienstverlening door zijn huidige leverancier. Die keuzemogelijkheid heeft de burger niet als het om de overheid gaat: hij zit vast aan de ene overheid en kan niet naar de concurrent. Een andere belangrijke reden is dat een overheid in de afweging tussen klantdenken en algemeen belang altijd het algemeen belang voor moet kunnen laten gaan. Het klantdenken van de overheid suggereert meer dan zij kan waarmaken. Maar het heeft wel tot gevolg dat de burger zich steeds meer als klant gaat gedragen. En als hij niet direct krijgt wat hij wil, gaat hij stampij maken.

Die stampij wordt afgewenteld op de arme ambtenaar die het heeft verprutst. Steven de Jong onderzocht waar de ambtenaren zoal mee te maken krijgen. Op zijn website lastvandeburger.nl konden ambtenaren hun ervaringen over de burgers kwijt. Ze hebben dat overigens pas na lang aandringen gedaan. Want het past niet om te klagen over de klant, die immers koning is. De binnengekomen ervaringen worden in het boek 'De lastige burger' uitgebreid beschreven. Dat levert veel plaatsvervangende schaamte. We hebben kennelijk veel hufterige en onbeschofte landgenoten die voor het minste of geringste alle fatsoensgrenzen overschrijden. En wee de ambtenaar die daar wat van durft te zeggen. Die krijgt de volle laag.

De Jong geeft in zijn vlot geschreven boek een helder beeld van de gevolgen van het onterechte klantdenken van de overheid. Hij bepleit een eerlijker benadering van de burger door de overheid. Deze moet niet meer suggereren dan zij kan waarmaken. Aan de andere kant moet de burger zich realistischer opstellen en zich realiseren dat de tijden van het doorgeschoten klantdenken voorbij zijn. De verhouding tussen burger en overheid is door dat klantdenken in een impasse terecht gekomen. Beide partijen zullen moeten veranderen. Er is niet alleen een andere overheid nodig, maar ook een andere burger.

De stelling van De Jong klopt, maar er valt veel meer te vertellen over de verhouding tussen overheid en burger dan in zijn boek aan de orde komt. Door de scherpe focus op het onterechte klantdenken worden andere facetten van die verhouding niet belicht. Uiteindelijk blijft de lezer met veel vragen achter: ook als de overheid de burger niet als klant behandelt, heeft deze toch recht op goede dienstverlening? Ook monopolisten in de marktsector horen hun klanten toch goed te bedienen? Toch niet alleen de overheid last van onbeschofte klanten die alleen maar aan hun eigen belang denken?

Maar de belangrijkste vraag is wel, hoe we de hufterige, egoïstische en lastige klanten van de overheid veranderen in begripvolle, meedenkende en beleefde burgers. Antwoorden op die vragen zal de lezer in dit boek niet vinden. Maar ik klaag daar niet over. Want klagen doe je na lezing van 'De lastige burger' even niet meer.

Bron: Managementboek.nl, 1 maart 2009

Boze en lastige burgers

Bestuursforum (partijblad CDA), 6 maart 2009
Boze en lastige burgers


Eind vorig jaar verschenen twee boeken over de relatie tussen burger en overheid. In ‘Boze burgers’ komen burgers aan het woord die koste wat kost hun gelijk willen halen in een geschil met de overheid. Ze bijten zich vast in juridische procedures met alle gevolgen van dien voor hun gezin en de omgeving. ‘De lastige burger’ laat zien wat er mis is gegaan nadat burger en overheid zijn gaan geloven dat de burger een klant is en de overheid een bedrijf. Het heeft in elk geval niet geleid tot een beter functionerende overheid. Hoe nu verder?

Door Toine Poppelaars

In het boek Boze burgers staan de verhalen centraal van boze burgers die hun gelijk proberen te halen bij verschillende rechters. Ze zijn boos omdat een bepaalde overheidsinstantie om uiteenlopende redenen, niet - voortvarend - wil meewerken aan hun plannen. Veelal gaat het om ruimtelijke ordeningszaken (bouwvergunningen die ten onrechte zijn verleend en verzoeken om handhavend op te treden tegen de buurman die een illegaal bedrijf runt). Deze burgers staan lijnrecht tegenover de overheid.

Kenmerkend is het verhaal van de serre aan het huis van Riet Dekkers in Leiderdorp. Die serre, die 37 centimeter te hoog zou zijn gebouwd, werd na acht jaar procederen gelegaliseerd, maar dat betekende helemaal niet het einde van een bitter juridisch gevecht. Betrokkene gaat, na de uitputtingsslag die de familie enorm veel tijd, energie en geld heeft gekost, nog een schadeclaim tegen de gemeente indienen.

Maar ook complottheorieën doen zich voor, bijvoorbeeld bij de zaak die ondernemer Ben Mets heeft lopen tegen de provincie Overijssel en de gemeente Hof van Twente. Mets dreigt de dupe te worden van het antwoord op de vraag welke overheidsinstantie het bevoegde gezag is voor zijn onderneming, die afvalproducten verwerkt. Staatsraad Peter van Wijmen, burgemeester Ank Bijleveld en gedeputeerde Theo Rietkerk (allen ex-Kamerleden voor het CDA), zouden onderdeel van een complot tegen hem uitmaken.

Onhandelbaar


In de inleiding gaat Gerard van Westerloo in op de vraag of in de loop der tijd corruptie en frauduleus handelen door de Nederlandse ambtenaar is toegenomen. De conclusie luidt dat dat niet het geval is. Maar hij besluit met de stelling: de burger is verhard, de overheid is hem daarin gevolgd.

In het laatste hoofdstuk betoogt Herman van Gunsteren, dat de overheid juist haar voordeel moet doen met lastige burgers. Hij is van mening dat burgers pas onhandelbaar worden als ze een beslissing van de overheid of een rechterlijke instantie niet als onpartijdig kunnen ervaren. En onhandelbaar worden ze ook als de beslissing ze gelijk geeft, maar daaraan door de autoriteiten geen uitvoering wordt gegeven. In het boek wordt als treffend voorbeeld genoemd het antwoord van een ambtenaar op de vraag van een burger om handhavend op te treden tegen de buurman die illegaal een bedrijf runt: ‘Het mag niet, maar we doen er niks aan.’

Van Gunsteren geeft twee visies op burgerschap. In de klassieke liberaal-democratische visie geeft burgerschap het recht om binnen de grenzen van de wet anders te zijn. Hij mag zich bij de rechter beklagen over oneerlijkheid, partijdigheid of corruptie van zowel medeburgers als de overheidsinstantie zelf. De overheid moet zonder aanzien des persoons met burgers omgaan. In de alternatieve visie dienen normen en waarden die burgers onderling en in hun verkeer met de overheid in acht moeten nemen, goed burgerschap te bevorderen. Querulanten en egoïsten die enkel aan zichzelf denken zijn geen goede burgers. De burger is een bouwsteen van de samenleving. Risicoburgers vormen echter een bedreiging voor die samenleving. Uiteindelijk concludeert hij dat de burger niet enkel een bouwsteen is van de samenleving, maar ook (mede)verbouwer ervan.

Geen winnaars

Het is een prettig leesbaar boek en de verhalen geven een getrouw beeld van hoe vastberaden mensen zich in juridische procedures kunnen vastbijten, met alle (negatieve) gevolgen van dien voor het gezin of de directe omgeving. In een enkel geval raakt men het contact met de lokale samenleving kwijt, dan wel verhuist men noodgedwongen naar een andere plaats. De aanleiding voor dergelijke procedures had in veel gevallen voorkomen kunnen worden door een goed contact met de betreffende buurman of ambtenaar. Maar als de burger zich niet serieus genomen voelt aan de balie van het gemeentehuis, dan zijn de rapen gaar. Eén ding is me wel duidelijk: in Boze Burgers zijn geen winnaars.

Houdgreep

Het boek De lastige burger toont wat er misging toen zowel overheid als burger is gaan geloven, dat de burger een klant is en de overheid een bedrijf. Door burgers structureel als klant te benaderen, wekken ambtenaren de indruk dat burgers zich ook als klant kunnen gedragen. En dat doen zij dan ook. ‘Nee’ wordt verkocht, maar niet getolereerd. Immers, de burger afficheert zich in algemene zin als belastingbetaler, de betalende klant die het beste voor het minste geld wil. Een burger aan het loket: ‘U moet mijn algemeen belang behartigen.’

De gewekte verwachtingen stroken dus niet met de werkelijkheid. Gevolg: woede bij de burger. Veel woede. In 2006 sloeg een man met een moker tientallen ruiten van het stadhuis van Lelystad aan diggelen. Hij had een conflict met de gemeente.
De overheid zou er goed aan doen zich te bevrijden uit de houdgreep die ‘klant-denken’ heet. Anders zal de overheid niet beter gaan functioneren. Centraal zou de vraag moeten staan: wat vinden burgers van wat ik wil?

Burgerschapsstijl

De Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid heeft al in 2006 aanbevolen dat de overheid via de levensbeschouwelijke weg een vorm van zingeving bij mensen moet stimuleren om een betere burgerschapsstijl te ontwikkelen. Het gaat hier om een mentaliteitsverandering. Benadrukt moet worden dat de overheid geen bedrijf is waar de klant de koningstatus geniet, maar een organisatie die staat voor politiek bepaalde waarden en het algemeen belang. Overigens blijkt dat de meeste burgers de klantbenadering nog verder doorgevoerd willen zien: de overheid als persoonlijke probleemoplosser.

De publieke sector moet eerlijk zijn en mensen niet aanspreken als klanten maar als burgers. De primaire verantwoordelijkheid van de overheid is om in de afweging van persoonlijk en algemeen belang een rol te spelen en de burger daarbij te betrekken. Want zonder betrokkenheid van de burger, geen participatie van die burger.

De lastige burger bevat in de eerste hoofdstukken een duidelijke uiteenzetting van de problematiek, voorzien van diverse praktijkvoorbeelden. Daarna benadert schrijver de kwestie op een abstracter niveau. Dat heeft als gevolg dat een herhaling van (al bekende) zetten dreigt. Het laatste hoofdstuk bevat kort en bondig, heldere conclusies van het voorgaande.

Boze Burgers, Philip Brouwer e.a., Kluwer 2008, ISBN 978 90 13 057362, 159 blz., €14,95
De lastige burger, Dienstverlening in een tijd van ontbrekend burgerschap, Steven de Jong, ISBN 978-90-8965-017-7, 174 blz., €24,90.


Mr. drs. A.J. G. Poppelaars is gedeputeerde in Zeeland en redacteur van Bestuursforum.

Bron: Bestuursforum

Politieke weblogs. Liever geen reply

Vrij Nederland, 10 februari 2009
Politieke weblogs. Liever geen reply


Veel Nederlandse politici hebben een weblog. Maar heeft de burger er ook iets aan? ‘Die blogs lezen als vakantieverhalen van vage kennissen die op wereldreis zijn.’

Door Thijs Niemantsverdriet

'Een rustige zondag. En nog steeds is het een groot deel van de dag prachtig weer. Met dit soort weer is het haast niet te geloven dat het nog maar begin februari is.' Met deze gemoedelijke woorden deed het politieke weblog op 3 februari 2002 zijn intrede in Nederland. De auteur was geen jong, dynamisch PvdA-Kamerlid uit Amsterdam. Ook geen cybergekke GroenLinkser. Nee, de eerste politieke blogger van Nederland was een 47-jarige volksvertegenwoordiger van de ChristenUnie uit Zwolle: Arie Slob.

Zeven jaar later houdt Slob, inmiddels fractievoorzitter, zijn blog nog altijd met gereformeerde plichtsgetrouwheid bij. Iedere zaterdagavond plaatst hij een verhaal op zijn website waarin hij terugblikt op de politieke week en het een en ander vertelt over zijn familieleven. 'Ik ben, mag ik wel zeggen, behoorlijk trouw,' vertelt Slob. 'Als je een blog bijhoudt, moet je het ook consequent doen.'

Vele politici zijn Arie Slob nagevolgd. Eind 2002 begon PvdA'er Klaas de Vries een veelgelezen weblog. Niet veel later gevolgd door toenmalig minister Zalm (VVD), die met zijn nachtelijke schrijfsels regelmatig de kranten haalde. Het verkiezingsjaar 2006 zag een ware explosie van politieke blogs. Hoewel er nadien een kleine dip volgde, houdt een groot aantal politici nog steeds op internet een dagboek bij. Met een drietal verkiezingen op komst - het Europees Parlement in juni dit jaar, gemeenteraden in 2010 en Tweede Kamer in 2011 - zal het aantal bloggende politici alleen maar toenemen.

Waarom blogt een politicus? Een weblog is een uitgelezen manier om direct contact te maken met kiezer. De backbencher kan ontsnappen aan de anonimiteit en zijn mening geven over andere zaken dan zijn portefeuille Scandinavisch hardhout. De minister kan de lezer deelgenoot maken van schitterende beleidsplannen, zonder dat ze gefileerd worden door lastige journalisten. En misschien wel het belangrijkste: op een weblog kan een politicus wat blootgeven van zijn persoonlijke leven. Daarmee wordt hij sympathieker, en dus electoraal aantrekkelijker. 'In theorie,' zegt Gerrit Voerman, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen (DNPP) in Groningen, 'is een weblog hét medium op authentieke wijze naast politieke standpunten een inkijkje in je leven te geven. Politici worden mensen van vlees en bloed.'

Pedant

Het aantal bewindslieden dat blogt, is zeer beperkt. Zo was André Rouvoet (ChristenUnie) als Kamerlid een enthousiast blogger, maar sinds hij minister van Jeugd en Gezin is, hebben we online niets meer van hem vernomen. Premier Balkenende heeft ontzaglijk veel vrienden op netwerksites als Hyves en LinkedIn, maar een blog - ho maar. Zijn partijgenoot Gerda Verburg (Landbouw) hield enige tijd een wekelijkse blog bij, maar sinds april vorig jaar zijn er geen nieuwe posts meer verschenen.

De enige minister die echt blogt is Wouter Bos. Op zijn BosBlog verschijnen zo'n een à twee keer per week leesbare stukjes waarmee hij soms ook nog het nieuws haalt. Bijvoorbeeld met zijn opmerking (5 januari 2009) dat hij zojuist het boek De Prooi over ABN Amro heeft gelezen en dat hij voortaan iedere bankier die bij hem nog durft te klagen over de overheid 'met dat boek in de hand het pand uitwerken' zal. Er zijn drie bloggende staatssecretarissen. Jack de Vries van Defensie blogt sinds kort.

Zijn juichverhalen over de kameraadschap in de krijgsmacht zijn misschien goed voor het moreel van de troepen, maar politiek weinig interessant. Jet Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verhult niet dat haar blog geheel wordt gevuld door haar voorlichters. En dan is er het blog van staatssecretaris Frans Timmermans (Europese Zaken). Hij schrijft lange, doorwrochte epistels over politiek, geschiedenis en cultuur. Maar zijn persoonlijke ontboezemingen hebben iets pedants. Timmermans spreekt veel belangrijke mensen: ministers, hoogleraren, cultuurbobo's. Daar schrijft hij graag over. Nadat hij voor de zoveelste keer op de koffie is geweest bij president Sarkozy, bijgepraat heeft UEFA-voorzitter Platini of van gedachten gewisseld heeft met de New Yorkse burgemeester Bloomberg, krijg je zin om snel door te klikken.

Privé-leven

Tot zover de bewindslieden. De blogs van Tweede Kamerleden zijn talrijker. Sommige blogs zijn buitengewoon persoonlijk: Boris van der Ham (D66) schreef het afgelopen jaar over het overlijden van zijn moeder en deelt zijn persoonlijke medische beslommeringen met de lezer. Ook Mei Li Vos (PvdA) vertelt over haar privé-leven, soms op behoorlijk intieme wijze. 'Het begon met een pijnlijke hoest die dwars door m'n borstkas sneed,' schrijft ze als ze op 17 januari geveld is door de griep. 'Ben nu me stemmetje kwijt, heb vandaag tot drie uur zwetend allenig in het grote bed gelegen terwijl mijn jager buiten bessen, sinaasappelen, aspirine, rood vlees, haring en houtblokken aan het verzamelen was.'

Soms vergeet je bijna dat Vos volksvertegenwoordiger is, zo weinig en zo lichtvoetig schrijft ze over het politieke bedrijf. Hoewel ze in haar beschouwingen ook een prettig gebrek aan eerbied voor parlementaire mores aan de dag legt. Zo schrijft ze op 3 februari: 'Toch wil ik na 2011 wel graag weer eens een Paars kabinet. Is misschien ook wel weer eens fijn voor het CDA, even lekker op adem komen in de oppositie. En bedenken wie de opvolger wordt van JPB.'

Vos (38) en Van der Ham (35) behoren tot de jongere Kamerleden. Maar het zou een vergissing zijn om te denken dat alleen jeugdige Kamerleden bloggen. Sterker nog, het is eerder omgekeerd. De oervaders van het politieke blog, Klaas de Vries en Gerrit Zalm, waren allebei een flink eind in de vijftig toen ze begonnen. In de huidige Kamer hebben drie van de vijf jongste parlementariërs géén blog. En een van de actiefste bloggers van het Binnenhof is CDA-oudgediende Jan Schinkelshoek (55). Naast ongeveer twee blogs per week (vaak over zijn stokpaardje, de parlementaire mores), verstuurt Schinkelshoek ook nog een maandelijkse nieuwsbrief, met citaten van collega's, links naar sites over schaken en een overzicht van de boeken die hij aan het lezen is. Beetje belegen soms, maar wel informatief.

Therapeutisch

Kamerleden schrijven veel over dezelfde onderwerpen: de nationalisatie van ABN Amro, de verkiezing van Obama, Balkenende's draai in het Irak-onderzoek. Verder staan op de weblogs veel, heel veel gedetailleerde beschrijvingen van werkdagen. Steven de Jong, webredacteur opinie van NRC Handelsblad en politiek weblog-watcher, wordt er soms een beetje wanhopig van. 'Het werk van een Kamerlid,' mailt hij, 'is niet interessanter dan het werk dat ik als burger doe. Een doorsnee werknemer vergadert ook, bezoekt ook organisaties. Maar valt hij daar mensen mee lastig op zijn weblog? Nee. Zelfs niet op een feestje.' Hij concludeert: 'De blogs lezen als vakantieverhalen van vage kennissen die op wereldreis zijn. Je klikt ze uit beleefdheid aan, maar echt lezen doe je het niet. Het lijkt eerder op therapeutisch schrijven om ordening in je gedachten te brengen.'

Een mooi voorbeeld van therapeutisch schrijven is het blog van VVD'er Helma Neppérus. Geen boeiende analyses, veel kromme zinnen en eindeloos geherkauw van het VVD-programma. Népperus' blog illustreert een belangrijk adagium uit bloggersland: schrijf niet omdat het moet, maar omdat je je ergens over opwindt. Druk maakt ze zich alleen over het initiatief van twee GroenLinks-raadsleden om particulier vuurwerkbezit te verbieden - en dan wordt het meteen een stuk interessanter. Hoewel het nog steeds tot statements leidt als: 'De VVD is tegen het verbieden van vuurwerk omdat dit een stukje Nederlands cultuurgoed is dat we ons niet af moeten laten pakken.'

Reply-functie

Spelen blogs een rol in de Nederlandse politiek? Ze worden in ieder geval bijzonder weinig gelezen. Volgens Gerrit Voerman van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen hebben de meeste weblogs niet meer dan enkele honderden niet-unieke bezoekers per maand. Natuurlijk, er zijn uitzonderingen. Gerrit Zalms blog trok in de hoogtijdagen twintigduizend bezoekers per maand. Het blog van Jan Marijnissen - inmiddels opgedoekt - haalde soms meer dan driehonderdduizend bezoekers per maand. Maar de conclusie is volgens Voerman dat de Haagse pikorde online gewoon overeind blijft. 'Als je fractievoorzitter bent of minister, komen er mensen op je weblog af. Journalisten schrijven erover in de krant. Maar ben je een onbekend Kamerlid, dan kun je bloggen wat je wilt - maar meer dan handjevol vrienden, bekenden en partijgenoten zul je nooit trekken.'

En mocht je als burger je weg hebben gevonden naar een weblog, dan valt er bijzonder weinig te discussiëren. Bij de meeste politieke blogs kun je niet rechtstreeks reageren. Alleen de Hyvers hebben hun reply-functie wagenwijd openstaan. Staatssecretaris Timmermans had dat ook, maar sinds enige tijd zijn bij hem reacties taboe (waarschijnlijk omdat dezelfde eurosceptici reageerden die hem ook bij debatten en spreekbeurten lastig vallen). Op de site van Femke Halsema, die in 2005 het slachtoffer werd van een reply-aanval van GeenStijl, kun je alleen reageren als je bent geregistreerd.

Bij de SP is het de vraag of je reactie überhaupt op de site belandt. De socialisten voeren namelijk een strenge redactie over wat binnenkomt. Wat dat betreft is een recente post van SP-senator Anja Meulenbelt ('meer dan zestigduizend unieke bezoekers in januari van dit jaar') illustratief voor de bloggende politicus anno 2009. Op 3 februari schrijft ze: 'Dit weblog is GÉÉN OPEN FORUM. Ik selecteer wat er wordt geplaatst en nog streng ook.' Om te besluiten met: 'Wie graag ergens zijn mening kwijt wil zonder mijn hinderlijke aanwezigheid moet dat dus elders doen.'

Bron: Vrij Nederland, 10 februari 2009

Klachten over burgers

Blog Burger & Politiek (chrisaalberts.nl)
Klachten over burgers


Steven de Jong wilde enige tijd geleden iets organiseren om de burger en de politiek dichterbij elkaar te brengen en daar wat debat over te entameren. Dat leverde twee leuke projecten op.

Door Chris Aalberts

Zijn eerste project was de website www.lastvandeburger.nl, als tegenhanger van de site www.lastvandeoverheid.nl. Op de laatstgenoemde site kunnen burgers klagen over de overheid, tegenstrijdige regels en slechte dienstverlening. De Jong draait dit idee om en geeft ambtenaren de kans om te klagen over burgers. Hij stuurde honderden mails naar ambtenaren en dat leverde ruim zestig brieven van ambtenaren op over burgers die zich onbeschoft, egoïstisch of onverantwoordelijk gedragen.

Een tweede project was te kijken wat gemeenten doen met burgers die een idee aandragen. De Jong stuurde 450 gemeenten dezelfde email waarin een suggestie werd gedaan voor een eetvoorziening voor ouderen. De schrijver suggereerde dat hij al vrijwilligers gevonden had. De helft van de gemeenten reageerde helemaal niet, en een groot deel van de overige gemeenten wenste hem veel succes.

Wat een leuke ideeën heeft die De Jong, veel verfrissender en innovatiever dan heel veel andere projecten op het gebied van politiek en democratie. Maar waarom schrijft hij er dan zo'n oppervlakkig en haastig boek over?

Het boek suggereert dat de burger totaal is losgeslagen, en dat is een enorme karikatuur. De discussies die worden besproken komen van internet, en we weten allemaal allang dat juist internetdiscussies veel grofheid bij mensen naar boven halen. Dat bewijst niets over algemeen gedrag van burgers. Ook gooit De Jong allerlei onwenselijk gedrag van burgers op een hoop: er is nogal een verschil tussen geweld tegen ambulancepersoneel en een burger die bij de gemeente klaagt over een televisiestoring tijdens zijn favoriete televisieprogramma.

De Jong zegt zelf dat het boek niet wetenschappelijk is bedoeld, maar dat betekent toch niet dat er wat tijd en aandacht in zo'n boek kan worden gestoken? Allerlei klachtenbrieven over burgers worden apart gepresenteerd, maar ze lijken steeds hetzelfde. Soms keren dezelfde teksten wel drie keer terug. Het project over de 450 gemeenten wordt in een paar pagina's uiterst oppervlakkig afgedaan, en dit alles wordt gelardeerd met beschouwingen over het nut van klantgericht werken bij de overheid.

Dit is hoe het wel vaker met Nederlandse boeken gaat: de oplage is laag en 'dus' wordt er geen tijd in gestoken. Het boek lijkt vooral snel uitgegeven te moeten worden om mee te kunnen met een kleine mediahype. Op die manier wordt niet goed nagedacht hoe leuke projecten tot een goed onderbouwd boek kunnen leiden waarmee een wezenlijke bijdrage wordt geleverd aan het maatschappelijke debat. Wat een gemiste kans.

Dr. Chris Aalberts is onderzoeker en docent op het gebied van communicatie tussen burgers en politiek.

Bron: Chrisaalberts.nl / Chrisaalberts.blogspot.com

De Jong, S. (november 2008): De lastige burger: dienstverlening in een tijd van ontbrekend burgerschap. Culemborg: Van Duuren Management. 

'Klantgerichtheid overheid is een illusie'

Kwaliteit in Bedrijf, 14 februari 2009
'Klantgerichtheid overheid is een illusie'


Ambtenaren lijken wel pispalen. Ze hebben steeds meer te maken met lastige burgers die zich niet weten te gedragen. Uit een onderzoek van Steven de Jong onder 64 ambtenaren blijkt dat veel burgers onverantwoordelijk, egoïstisch en onbeschoft zijn tegenover ambtenaren.

Door René Claessens

De NRC-journalist schreef er het boek ‘De Lastige Burger’ over. Hij stuitte op een lastige tweespalt. De burger verwacht aan het overheidsloket dezelfde service als bij een bedrijf, maar begrijpt vaak niet dat het publieke apparaat er niet is om eenieders belang te dienen. ‘Een overheid die burgers klanten noemt, schept valse verwachtingen, maakt de burger tot bruut.‘

Lees het gehele interview in het tijdschrijft 'Kwaliteit in Bedrijf'